Woordenboek

Welkom bij het internetwoordenboek voor maatvoerders.

Hier kunt u maatvoerings-technische begrippen vinden.
Of het nu gaat om onderdelen van de instrumenten of begrippen in de bouw, als de maatvoerder ermee te maken krijgt, hoort het in het woordenboek.

We zijn pas begonnen met dit woordenboek dus alle suggesties of vragen zijn welkom. REAGEER a.u.b.,
want we blijven een Vereniging Voor Maatvoerders.

En het mooie van een woordenboek is dat het nooit af is.
Iedere dag wordt er wel weer iets opgestuurd wat we gaan gebruiken en wat dus wellicht opgenomen kan
worden in het woordenboek.


A

Afloden:
meetmethode om een punt recht boven een ander punt te krijgen (met zicht van boven naar beneden)

Afschot:
opzettelijke afwijking van de horizontale ligging van objecten (ook wel verhang genoemd)

Afstandshouder:
deze zit tussen 2 bekistingsdelen in en houdt deze d.m.v. zijn lengte op afstand.
(meestal een kunststof pijpje . Voor waterdichtwerk van staal en beton)

Arm schaven:
een deur arm schaven, de zijkanten van de deur een paar mm schuin schaven, zodat de deur goed sluit.


B

Baak:
stelsel van horizontale planken, meestal op peilhoogte, waarop de maatvoering van het werk wordt aangegeven

Badding:
een lang stuk hout met een bepaalde afmeting : dikte ongeveer =60mm  breedte ongeveer=150mm

Bekisting:
een mal om beton in te storten

Broodjes:
betonnen onderleggers om wapening op dekking boven de vloer te houden

Bruggetjes:
houten plankjes in het zandbed aangebracht voor het stort van de werkvloer om later op te kunnen maatvoeren


C
Centerpen:
een stalen staaf met een speciaal grof schrofdraad. Deze zorgt ervoor dat 2 bekistingsdelen tijdens de stort niet uit elkaar kunnen gaan

Constructiel:
zie stempel


D

Deel:
een lang stuk hout met een bepaalde afmeting :dikte=20mm   breedte=100 mm

Depressie: 
helling van de vizierlijn t.o.v. het horizontale vlak, omlaaggericht (tegengestelde is elevatie)

Doorzichten:
extra punten in een lijn plaatsen buiten twee punten (extrapoleren)

Duim:
oude lengtemaat, ter grootte van de breedte van de menselijke duim: ± 2,5 cm. Deze maat is afkomstig van de “inch”. De inch is 2,54 mm.


E

Elevatie:
helling van de vizierlijn t.o.v. het horizontale vlak, omhooggericht (tegengestelde is depressie)

Elling:

bereken methode van een waterpassing


F

Flaggetje:
een stukje plaatmateriaal dat op de bekisting wordt geslagen om te voorkomen dat de krans ( kranzen) zakken

Flex:
een slijpschijf


G

Geodesie:
de wetenschap die zich bezig houdt met de bepaling van de vorm van de aarde en van delen van het aardoppervlak

Geren:
het niet haaks op de as van een gebouw staan, vooral mbt. een gevel gebruikt

Giek:
bij de heistelling: lange rechte stuk op de kop van de heistelling waarlangs de makelaar geleid wordt bij de kraan: lange rechte stuk waaraan het liftpunt hangt


H

Haaks oculair:
extra kijker op theodoliet en total Station om onder een lastige hoek toch goed te kunnen kijken (zenithoculair)

Hart op hart meten:
(HOH) gemeten van het midden van bijv. de ene balk tot het midden van de andere balk.
Hoekwaarde:
(van een niveau) de hellingsverandering die nodig is om de bel één streep van de verdeling te verplaatsen

Hoerenjong:
opzetstuk voor een heistelling om palen onder het maaiveld te kunnen slaan.


I

Inspelen:
het instrument horizontaal stellen waarmee de bel in van het doos- of buisniveau in het midden komt te staan, het inspelen van het niveau.


J

Jalonniveau:
doosniveau aan een houder om een jalon of prismastok mee verticaal te stellen, tevens ook handig voor het stellen van stekken.


K

Kalenderen:
reeks van 30 slagen met een heiblok op een heipaal met een valhoogte van 1 m. teneinde de zakking te kunnen bepalen

Kantelaaf:
vooruitspringend muurwerk om een kozijn heen,  gemeten aan de dagkant

Keg:
wig

Kesp:
verbindingsbalk over de koppen van heipalen

Klamp:
een stukje ( meestal plaatmateriaal) van ongeveer 10x20cm om iets aan te monteren

Kort halen, lang brengen:
vanuit een korte afstand punten plaatsen op een grotere afstand (maatvoeringstechnisch crimineel gedrag)

Krans:
een van delen of baddingen gemaakt frame die een bekisting omsluit, om te voorkomen dat deze spat


L

Lang halen,kort brenge:
vanuit een lange afstand punten plaatsen op een kortere afstand

Loodrei:
voorloper van het waterpas met een lange rechte onderzijde en een schietlood in het midden om te controleren op een vlak horizontaal was


M

Mal:
model waarnaar iets wordt vervaardigd

Makelaar:
blok waar de heipaal in valt voor het slaan

Meter plus peil:
hoogte referentiemaat precies 1000mm. in hoogte verklikt per verdieping

Moker:
zware, korte ijzeren hamer met aan weerszijden een vierkante kop (vuistje)

Mousen:
oploden middels het MOUS systeem.


N

Nonius:
verdeling van precies 9/10e over een gehele centimeter met 10 streepjes. Waar de gehele getallen samenkomen met de Noniusstreep worden de tiende millimeters aangegeven en afgelezen (Nauwkeurigheidswaterpastoestel, schuifmaat). Het doel is om tienden van millimeters te kunnen aflezen op een trommel of schuif.


O

Onder schoor slaan:
giek niet te lood op het maaiveld zettenmaar schuin zodat palen schuin in de grond geslagen kunnen worden

Onderslag: 
een badding die op een ondersteuning ligt bv stempel of paltoren

Ophogen:
zand opbrengen om een hoger peil te krijgen

Oploden:
meetmethode om een punt recht boven een ander punt te krijgen (met zicht van onder naar boven)


P

Paltoren:
een onderstempelings-systeem

Passtuk:
sluitstuk dat in het werk gemaakt wordt bij bekisting

Peil:
hoogtereferentiemaat (veelal bovenkant afgewerkte vloer begane grond)

Pieleman:
een stukje hout dat twee bekistingsdelen op afstand houdt. (dit is geen afstandshouder, zie afstandhouder) een pvc-achtige holle buis waar men twee dopjes op plaats.Deze is bedoeld om tijdens het beton storten, de centerpen vrij van beton te houden,waardoor met het ontkisten de centerpen gewoon uit de kist kan worden gehaald. de lengte van de pieleman is gelijk aan betonmaat waardoor hij ook als afstandhouder dient.

Porringspunt:
centrum van een cirkel (een pen erin porren en met een meetband rond gaan)


Q


R

Rooilijn:
denkbeeldige lijn, door de overheid (kadaster ism. eigenaren) vastgesteld, die dient als scheidslijn tussen openbare en particuliere grond, die bij de bouw niet overschreden mag worden (eigendoms grens tussen percelen).


S

Schenkel:
ronde of rechthoekige aanslag voor het snel kunnen plaatsen van kolommen of wanden

Schoor:
een lang stuk hout om iets tijdelijk te steunen

Schoorstand:
schuinte (in verhouding) waaronder de giek gebracht moet worden (8:1 of  5:1)

Sleg:
grote houten hamer om piketten in de grond te slaan

Sparing:
voor het stort: een stuk bekisting dat een gat vrij houd van de beton na het stort: gat in de beton voor evt. latere constructies (kozijn, brandhaspel, trap)

Spatklamp:
een klamp of deel die achter een bekisting wordt getimmerd om te voorkomen dat de bekisting gaat  spatten

Spatten:

een bekisting die tijdens de stort barst

Spie:
wig

Staal:
harde bodem (funderen op staal)

Steek:
de afstand tussen het sleutelgat en de deurkruk
3-4-5
steek:
manier om met verhoudingen de ontbrekende zijde in een rechthoekige driehoek te bepalen (Pythagoras)

Stempel:

2 stalen pijpen die in elkaar vallen, de middelste is d.m.v. gaten en schoefdraad op hoogte te stellen, om vloeren of balken te ondersteunen totdat beton gedroogd is.


T

Tussenzichten:
extra punten in een lijn plaatsen tussen twee punten (interpoleren)


U

Uitrichten:
Meetmethode om een wand of kolom onder een hoek of te lood te stellen ( theodoliet of total station met meetstickers op de kist)
Uitslag:
tekening op ware grootte van bijv. een trap, waarnaar de onderdelen nauwkeurig kunnen worden gemaakt.


V

Vellingkant: 
Schuine kant een een kolom om beschadiging te voorkomen

Verklikken:
een maat niet op de werkelijke plaats aftekenen, maar met een afgesproken vaste afwijking

Vidimus:
ontwerptekening op ware grootte (Latijn videre = zien)

Voerstralen:
middels hoek en afstand punten vanuit een vaste standplaats uitzetten en inmeten

Voet:
oude lengtemaat ter grootte van iets meer dan de lengte van de menselijke voet (varieerde van  26.5 cm tot 35 cm)


W

Waterpas:
instrument waarmee men nagaat op een vlak of bouwdeel horizontaal, dan wel verticaal ligt of staat

Wig:
klein taps toelopend stukje hout om iets te klemmen (= spie)

Wilde standplaats:
zuidelijke benaming voor vrije standplaats

Winkelhaak:
werktuig bestaande uit twee rechte stukken die onder een hoek van 90 graden met elkaar verbonden zijn


X

X-as:
horizontaal liggende as van een coördinatenstelsel, positief gedeelte oplopend vanuit de oorsprong naar rechts


Y

Y-as:
verticaal liggende as van een coördinatenstelsel, positief gedeelte oplopend vanuit de oorsprong naar boven.


Z

Zenithoculair:
zie haaks oculair

Zichtje:
rood witte zichtplankjes voor het tussenzichten van hellingplankjes
20 zicht:piketten 20 cm. hoger uitzetten dan het gewenste peil voor de aanleg van een zandlichaam ter controle voor de machinist

Zwaaihaak:
een instrument bestaande uit een driehoekig frame met aan de onderzijde twee pennen. Deze pennen hebben een vaste afstand van twee meter. Boeren meten hiermee snel de zijden van hun land of onderlinge afstand tussen drains etc